Direct naar: inhoud, inloggen

Verslag Duitslandkamer

Duurzaamheid is in Duitsland driver voor innovatie

De relaties zijn goed. Duitse bedrijven werken graag samen met Nederlandse en ze roemen onze innovatiekracht. Toch kunnen wij het nodige leren van Duitsland, dat bijvoorbeeld vooroploopt als het gaat om energiebeleid. De samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en wetenschap lijkt er natuurlijker te verlopen dan bij ons. En Duitsers hebben meer gevoel voor het ontwikkelen van stabiel beleid. Lessen uit de Duitslandkamer.

Een van de meest in het oog springende ontwikkelingen in Duitsland is die op het gebied van energie. Jochen Möller, hoofd van de economische afdeling van de Duitse ambassade in Nederland, sprak enthousiast over de Energiewende, het ambitieuze politieke programma voor drastische vermindering van CO2-uitstoot. ‘Duurzaamheid is een belangrijke driver voor innovatie’, vond hij.

Om die innovatie te bevorderen wordt er in 2013 drie miljard euro gestopt in een fonds voor research en development. ‘Nederlandse bedrijven zouden daar ook van kunnen profiteren, door bijvoorbeeld investeringsmaatschappijen op te richten, samen met Duitse bedrijven. Er is een speciale afdeling die erop gericht is Nederlandse ondernemers daarbij te helpen.’

Centraal innovatieprogramma

Ook Koos Wieriks, hoofd van de afdeling Infrastructuur & Milieu aan de Nederlandse ambassade in Berlijn, sprak over de Energiewende als aansprekend voorbeeld van innovatiebevordering. ‘Duitsland heeft de High-Tech Strategy 2020 ontwikkeld, dat innovatief ondernemen stimuleert. De regering wil ‘Leitmärkte’ creëren, sleuteltechnologieën ontwikkelen, samenwerking stimuleren tussen economie en wetenschap en het innovatieklimaat verbeteren.’

In de praktijk worden daarvoor voorbeeldprojecten opgezet, zoals het goedlopende project voor elektrische auto’s. Daarnaast is er aandacht voor het op elkaar laten aansluiten van Europese initiatieven, het verbeteren van voorwaarden voor het Midden- en Kleinbedrijf en het bevorderen van de dialoog met maatschappelijke organisaties.

Er is ook een zogenaamd Zentrales Innovationsprogramm opgezet, dat het MKB moet stimuleren deel te nemen aan research en development en de samenwerking tussen kennisinstellingen moet stimuleren. ‘Dat loopt goed: er zijn tussen 2008 en 2010 veertienduizend aanvragen voor projecten gedaan, waarvan er bijna negenduizend zijn goedgekeurd.’

Investeringen verdienen zich terug

Wieriks haalde een Duits onderzoek aan waaruit blijkt dat bedrijven die vijf procent van hun investeringen aan research en development besteden, anderhalf tot twee procent sneller groeien. ‘Investeringen verdienen zich terug.’

Hij opperde verder dat de samenwerking in Duitsland tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap natuurlijker verloopt dan bij ons. ‘In Nederland moet bij innovaties nog de sprong worden gemaakt om het bedrijfsleven erbij te betrekken.’

Afscheid van kernenergie

Rick Bosman, van het Zentrum für Erneubare Energien aan de Albert-Ludwigs-Universität Freiburg, vond het ‘fundamenteel opmerkelijk’ dat Duitsland in 2025 afscheid neemt van kernenergie, als eerste grote industrieland.

‘Dat besluit heeft de ontwikkeling van hernieuwbare energie enorm gestimuleerd. Inmiddels komt twintig procent van de elektriciteit uit hernieuwbare energie, terwijl dat tien jaar geleden nog zes procent was.’

De motivatie hangt samen met de zorg voor het klimaat en milieu, de wens om minder afhankelijk te zijn van energie-import, het opbouwen van een schone toekomstindustrie en het verminderen van totale productiekosten. De regering is ambitieus: in 2050 moet het aandeel hernieuwbare energie zestig procent bedragen.

Privépersonen investeren in hernieuwbare energie

Opmerkelijk is dat de ambities breed gedragen worden. Van de investeringen in hernieuwbare energie komt maar liefst 42 procent van privépersonen. ‘Met name de grote energieleveranciers zijn nog terughoudend’, aldus Bosman. ‘Zij zijn hard geraakt door het besluit om te stoppen met kernenergie. Er is verlies van banen en ze zijn bang voor black-outs in de toekomst. Grootverbruikers van energie vrezen dat de prijzen gaan stijgen. Uit enquêtes is gebleken dat de Duitse bevolking de versterkte ontwikkeling van hernieuwbare energie belangrijk vindt en bereid is er extra voor te betalen.

Lessen voor Nederland

Uit zijn verhaal filterde Bosman een aantal lessen voor Nederland. ‘Duitsers zijn behoedzaam. De Energiewende is vooruitstrevend, maar allesbehalve ondoordacht. In de beleidsafweging is goed gekeken naar een balans tussen investeringszekerheid en marktwerking. In Nederland wordt traditioneel alleen naar marktwerking gekeken; dat leidt niet tot stabiel beleid.’

Ook belangrijk vindt hij het particuliere investeren. ‘Hernieuwbare energie wordt kleinschalig en lokaal opgewekt, maar dat betekent niet dat het insignificant is, integendeel. De maatschappelijke verandering komt niet uit de gevestigd orde, maar bottom-up.’

Geld verdienen aan duurzame toekomst

Een bedrijf dat op het gebied van duurzame energie het voortouw neemt, is Siemens. Maarten van Wulfften Palthe van Siemens Nederland vertelde hoe besloten was de koers te wijzigen naar proactief gedrag. ‘De industrie moet leiden; overheden hebben geen cent meer te besteden.’

Geld verdienen en een duurzame toekomst zijn geen tegenstrijdigheden, vindt hij. ‘Bij alle beslissingen die je neemt, moet je voortdurend de afweging maken tussen people, planet en profit. Als je dat consequent doet, krijg je een goede balans.’ 

Individualisering als uitdaging

Op het gebied van efficiency had Brian Sieben van het Fraunhofer Institute for Material Flow and Logistics (IML) – de Duitse tegenhanger van TNO – een interessant voorbeeld: het zogenaamde EffizienzCluster LogistikRuhr, een samenwerking van 120 bedrijven en elf kennisinstellingen in het Ruhrgebied. Het is onderdeel van het zogenaamd Spitzencluster-programma, een als wedstrijd begonnen initiatief van de Bondsregering om excellent onderzoek te versterken.

Het EffizienzCluster richt zich op het efficiënter gebruik en verbruik van middelen, zowel op het gebied van transport en productie als op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De moderne individualisering wordt gezien als uitdaging: ‘Dat betekent dat je goederen, diensten en beleid daarop aanpast.’ Efficiënte logistieke ontsluiting van moderne steden, hoort daar ook bij.

Dagverse producten vragen om andere logistiek

Een van de gebieden waar de efficiëntie enorm kan worden verbeterd, is dat van de levensmiddelenlogistiek. ‘Door het veranderende consumptiepatroon maken dagverse producten een steeds groter deel uit van het aanbod in supermarkten. Ze genereren nu al vijftig procent van de omzet.’

Het groeiende vervoer van verse levensmiddelen levert echter specifieke problemen op, zoals verspilling en vervuiling. Sieben liet zien dat in Groot-Brittannië vijftig procent van alle groenten en fruit wordt vernietigd. Kosten voor de retail: twintig miljard euro. Ook wordt er meer congestie verwacht door een hogere frequentie van verse leveringen.

Een oplossing is het koppelen van slimme technologieën aan logistieke systemen. Er bestaan simulatiemodellen, waarmee je de impact van beslissingen voor een hele logistieke keten kunt doorberekenen. Wanneer je daar slimme technologieën voor het meten van versheid aan koppelt, kun je de logistiek veel efficiënter maken.

In Duitsland is geld beschikbaar voor dit soort ontwikkelingen, maar in Nederland wordt minder op kwaliteit en meer op kosten gelet, en ontbreekt goede regelgeving.’ Volgens Sieben zouden Nederlandse bedrijven meer betrokken moeten zijn bij de ontwikkelingen in Duitsland. ‘De bereidheid aan Duitse kant is er.’

Het water stijgt in Hamburg

Philipp Jahnke, projectleider van HafenCity in Hamburg, toonde zijn innovatieve paradepaardje. In de Duitse havenstad worden zeer ambitieuze ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken verwezenlijkt. In 2025 moeten er op 160 hectare in de havens van Hamburg twaalfduizend mensen wonen en meer dan 45 duizend mensen werken.

Een van de belangrijkste uitdagingen betreft het water. De rivier de Elbe, waar Hamburg aan ligt, staat in directe verbinding met de zee; daardoor is er dagelijks 3,5 meter verschil in waterniveau.

‘Dijken zijn een makkelijke oplossing’, aldus Jahnke, ‘maar we wilden het beeld van de traditionele gebouwen bewaren. Daarom is gekozen voor het maken van opgehoogde gebieden, in combinatie met beschermende maatregelen voor gebouwen en openbare ruimtes. Op sommige plekken kunnen openbare ruimtes onder lopen.’

In het nu te ontwikkelen oostelijke havengebied moet rekening worden gehouden met de stijging van de waterspiegel als gevolg van klimaatverandering – een probleem waar Nederlanders als geen ander kennis van hebben. ‘We zijn daar nog niet helemaal uit. Dus als iemand een goed idee heeft, hoor ik het graag.’